De huizen zijn cement en steen
en houden ons gevangen,
de mensen voelen zich alleen
in onvervuld verlangen.
De mensen stoten naar elkaar
met woorden en met handen,
wij vallen aan elkander zwaar,
zo doodt de een de ander.
Wij zijn elkander hard als steen,
zo kil en koud als ijzer,
wij bijten woorden om ons heen
en worden maar niet wijzer.
Toch willen we wel wijzer zijn,
een nieuw begin beginnen;
maar wie zal onze toekomst zijn,
bij wie we vrede vinden?
‘Wie zeventig maal zeven maal
een ander kan vergeven,
die roept zichzelf tot nieuw bestaan,
een nieuw begin van leven.’