Toon en tekst

Toon en tekst

NB – Als je bij de voorbeelden doorklikt kom je op de betreffende pagina’s van de kerkliedwiki, waar je het lied geheel of gedeeltelijk kunt beluisteren.


Een kerklied bestaat niet alleen uit tekst maar ook uit toon. Melodie, toonhoogte, ritme, harmonie, begeleiding en eventueel meerstemmigheid verheffen de tekst. Door de muziek is samenzang mogelijk – samen iets hardop zeggen (‘opdreunen’) is saai en voelt geforceerd aan. Of het moeten leuzen zijn in een demonstratie – maar die zijn dan ook meestal ritmisch en ze worden op luide, haast muzikale wijze geroepen. Soms zelfs met ‘voorzang en nazang’.

Hoe verhouden tekst en muziek zich tot elkaar? Soms lijken ze los van elkaar te staan. Er staan in de liedboeken heel wat melodieën waarop verschillende teksten gezongen kunnen worden en teksten die op verschillende melodieën gezongen kunnen worden. Maar minstens zo vaak bestaat er wel degelijk een relatie tussen die twee.

Muziek kleurt de tekst

Bij een feestelijke tekst hoort een feestelijke melodie; bij een peinzende tekst hoort een meditatieve melodie. Verschillende eigenschappen van de muziek spelen er een rol bij: de toonsoort, het tempo, het ritme, bepaalde intervallen.

Soms kleurt de muziek de tekst zo sterk dat tekst en muziek onlosmakelijk met elkaar verbonden lijken. Je kunt je niet voorstellen dat het lied De steppe zal bloeien van Huub Oosterhuis op een andere melo­die gezongen wordt dan de majestueuze compositie van Antoine Oomen. De compositie van Willem Vogel is slechts in kleine kring bekend en heeft het niet gemaakt – ook al is die makkelijker te zingen. Ook het lied Licht dat ons aanstoot in de morgen van dezelfde tekstdichter is nauwelijks los te zien van de melodie van Antoine Oomen, hoewel het oorspronkelijk gezongen is op de melodie van psalm 118 (‘Laat ieder ’s Heren goedheid prijzen’).

Uitbeelden van de tekst

In sommige liederen ‘doet’ de muziek haast letterlijk wat in de tekst wordt uitgedrukt. Bijvoorbeeld in deze aanhef (tevens het slot) van mijn bewerking van psalm 31 (muziek van Chris van Bruggen):

Zowel de schreeuw (de beginletters schr maken de schreeuw extra rauw) als de diepte worden door de melodie hoorbaar; het driemaal herhaalde Levende maakt de schreeuw haast wanhopig. Deze uitbarsting wordt gevolgd door een klagende melodie voor het vervolg van de psalm (Zwaar weegt het donker) en een haast verstillende melodie voor de volgende verzen die spreken over wachten, hopen en turen.

Meestal is ‘programmatische muziek’ subtieler. De muziek vertelt de tekst op een minder directe manier. Bijvoorbeeld in Stilte nu, een compositie van Antoine Oomen op een bewerking van psalm 65 door Huub Oosterhuis. Al vóórdat je gaat zingen, maakt het voorspel van de piano je stil. De begintonen breken die stilte nauwelijks. Pas verderop klinkt het gezang luider – om weer terug te keren tot de stilte.

Het aantal mogelijkheden om de tekst in de muziek uit te beelden is haast onbeperkt. Ik ga op één middel in het bijzonder in: het melisma.

Melisma’s

Een melisma is een groep noten op één lettergreep (een mooie Nederlandse term is notentros). Welke Nederlander kent niet “De kohohohoning van Hispanje”? En wie Gregoriaans heeft gezongen of beluisterd, kent de soms lange reeksen noten op één lettergreep, bijvoorbeeld op de uitroep Alleluia.

Melisma’s kunnen verschillende functies hebben: ze kunnen de melodie verfraaien (verrijken), ze kunnen nodig zijn om het gewenste ritme te handhaven, en ze kunnen een ‘sprong’ tussen twee noten verkleinen of vergemakkelijken.

Maar waar het hier om gaat: melisma’s kunnen ook accenten leggen op bepaalde woorden en daarmee een soort ‘uitleg’ van de tekst geven. In het lied Als het licht komt op een tekst van Herman Verbeek componeerde Chris Fictoor twee subtiele melisma’s van twee noten: op de woorden licht en in. Licht is het kernwoord in deze regels, en in vraagt ook om extra aandacht. Je staat in het licht en niet erbuiten., Dat beide woorden nog dezelfde klank (i) hebben, maar het extra indringend.

Voor het lied Uit uw hemel zonder grenzen van Huub Oosterhuis componeerde Floris van der Putt een melodie met een melisma van vier noten op één lettergreep in de laatste regel van de melodie. Als je nagaat welke woorden in de vijf coupletten op dat melisma gezongen worden, blijken het woorden te zijn die samen het ‘verhaal’ van dit lied vertellen: weerloos – voorbijgaat – dood – vrede – nieuw (- begin van leven). Wat een mooi voorbeeld van een melodie die de tekst uitlegt! Overigens: in protestantse oren is zo’n melisma waarschijnlijk ‘te Gregoriaans’. Voor het Liedboek van de kerken uit 1973 componeerde Jaap Geraedts een nieuwe melodie waarin alleen op de voorlaatste lettergreep een melisma gehoord wordt (dat niet lijkt ingegeven door de tekst maar door de noodzaak om de melodie goed af te ronden).

De meester van het melisma in nieuwe kerkliederen is Bernard Huijbers. Hoor (of lees) hoe hij in een beurtzang naar psalm 42 het reikhalzen van het hert en het stromen van het water uitbeeldt in melisma’s van vier noten. Waarbij de melodie op water ook nog betekenisvol omlaag gaat: het hert buigt zich diep voorover.

En even verderop horen we het golven van de branding:

Zulke melisma’s ter versterking van de tekst zijn in het werk van Huijbers bij tientallen te vinden. Zowel op composities die hij min of meer letterlijk overnam van Gregoriaanse gezangen – waar hij een groot kenner van was – als bij eigen melodieën.

Ontleningen

De relatie tussen woord en tekst kan ook gestalte krijgen doordat een melodie, of een deel ervan, ontleend wordt aan een al bestaand lied. De associatie met het andere lied plaatst het nieuwe in een bepaald kader. Je zingt de tekst in zekere zin met het eerdere lied in je achterhoofd. Uiteraard werkt dat alleen als de zangers dat andere lied kennen – dat hoeft niet per se het geval te zijn.

Een voorbeeld is mijn lied Brood is aarde, akker, graan op de (iets vereenvoudigde) melodie van de oude sacramentshymne Adoro te devote. Het lied wordt door deze melodie geplaatst in de oude eucharistische traditie – al ontbreekt de sfeer van aanbidding die het oorspronkelijke lied typeerde.

In de jaren tachtig schreef ik Een nieuw Marialied met een inhoud die was geïnspireerd door een lezing van Tine Halkes, een van de eerste feministische theologen in Nederland. In het lied bezingen we Maria onder meer als een vrouw die niet wordt onderworpen / aan macht van man en staat, / maar rechtop, vastberaden / het leven komen laat. Als melodie voor het lied koos ik De winter is vergangen, een melodie die in katholiek Nederland gebruikt werd (en wordt) voor God groet u zuiv’re bloeme, hét Marialied bij uitstek uit het Rijke Roomse leven. Het contrast tussen de zoetelijke inhoud van dat lied en de feministische inslag van mijn nieuwe tekst voelde ik als een versterking van het nieuwe lied – een gevoel dat tot mijn blijdschap gedeeld werd door anderen (vooral vrouwen) in mijn omgeving.

Hoe belangrijk het is dat de zingende gemeente het (juiste) verband met het oorspronkelijke lied kan leggen, bleek toen het lied werd besproken in de projectgroep van de bundel Zangen van zoeken en zien. De niet-katholieke leden kenden weliswaar de melodie, maar niet met de Mariatekst en ze hadden ook geen herinneringen aan de Mariaverering van weleer. Zij associeerden de melodie eerder met een bevindelijke geloofsbeleving die niet paste bij de bundel die we aan het samenstellen waren. Het resultaat van de boeiende gedachtewisseling was dat Chris van Bruggen een nieuwe melodie voor het lied componeerde. Een melodie die trouwens opmerkelijke gelijkenis vertoonde met de oorspronkelijk gekozen melodie.

Een ander voorbeeld van een betekenisvolle melodie vinden we in het lied Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede. Huub Oosterhuis schreef deze tekst voor een vredeszondag, en gebruikte daarvoor de melodie Lobe den Herren van Joachim Neander uit 1680. Dezelfde melodie had Oosterhuis eerder gebruikt voor zijn Paaslied Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven. Wie thuis is in het repertoire, kan verband leggen tussen deze twee liederen: de dag dat de vrede uitbreekt wordt verbonden met de dag van Pasen.

Als een lied een vertaling/bewerking is van een bekend ander lied, ligt het voor de hand om de oorspronkelijke melodie ook te handhaven. Maar dat hoeft niet letterlijk te zijn. De tekst Naar het paradijs van Huub Oosterhuis is een vertaling van het Gregoriaanse In Paradisum. Antoine Oomen gebruikte de oorspronkelijke Gregoriaanse melodie voor zijn compositie, maar zette hem om in 6/8 maat. Tom Löwenthal gebruikte vanuit dezelfde bron een 4/4-maat. Beide composities roepen ondanks hun gezamenlijke herkomst een verschillende sfeer op.

Nog meer

Er zijn nog veel meer manieren waarop de muziek van een kerklied de tekst kan ondersteunen. Bijvoorbeeld door op de goede momenten rustpauzes of tussenspel in te lassen, door meerstemmigheid en begeleiding, door herhaling, door de rolverdeling tussen voorzang en gemeentezang. Daar ga ik nog wel eens over schrijven in een andere blog.

Reageren is niet mogelijk.