Dank voor het lied

Dank voor het lied

Een bijdrage aan de jubileumbundel ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Oecumenische Vieringen Groningen (de Pepergasthuisgemeente), oktober 2016. Gevraagd was om iets te vertellen over de manier waarop een liedtekst tot stand komt. In dezelfde bundel schreven ook Henk Jongerius en Chris Fictoor hierover.


Zing een nieuw lied! Die aansporing komt vele malen voor in de Bijbel. Niets kwaads over oude liederen, maar daar heeft de Bijbel het niet over. Mensen willen hun geloof, hoop en liefde telkens weer in nieuwe woorden en op nieuwe wijzen uitdrukken. In kerken zingen mensen al eeuwenlang niet alleen oude, maar ook nieuwe liederen. Zeker in de Pepergasthuiskerk.

Hoe ontstaat zo’n nieuw lied? Dat wordt me als tekstdichter wel eens gevraagd. Is het een kwestie van inspiratie, van een dichtader, komt er veel theologie bij kijken? Welke rol speelt de taal? In hoeverre is het ook een ambacht waarin je bepaalde technieken toepast?
Enkele antwoorden aan de hand van voorbeelden uit mijn eigen prak1jk. En daaromheen wat reflectie vanuit mijn achtergrond in taal- en  communica1ewetenschap en als docent retorica.

De aanleiding

In 2000 bezocht ik in het Catharijneconvent in Utrecht een tentoonstelling met de titel: De weg der wonderen, met teksten van Rein Bloem en foto’s van Johanna Speltrie over de Middeleeuwse pelgrimsroute van Pavia naar Rome, de Via Francigena. Een weg langs de wonderen van de natuur, maar ook langs de kerken, kapellen en kloosters onderweg, met hun verbazingwekkende beeldhouwwerken en muurschilderingen. De volgende zomer ‘deden’ mijn vrouw en ik die route, zij het niet te voet, maar met auto en caravan.

Enkele maanden later waren we in onze liturgiegroep een viering aan het voorbereiden, waarin we het lied Door de wereld gaat een woord hadden gepland. Maar de tekst beviel me niet echt. Ik vond (en vind) hem moraliserend; er spreekt een tweedeling uit tussen wij die de goede weg gaan en zij die zelf op pad gaan of afdwalen. Alsof wij onszelf beter weten. En het nieuw Jeruzalem vond ik onder de Joodse bezetting en met de verwoesting van de Palestijnse huizen ook geen overtuigend beeld meer van een begerenswaardig reisdoel.

De Utrechtse tentoonstelling en de Enschedese viering vormden de aanleiding tot mijn Reislied. Over de levensreis: onze wondere wegen door de wereld en door de tijd. Niet meer naar het nieuwe Jeruzalem als einddoel, maar met de ervaring dat je al gaande wijs wordt. Uit de tentoonstelling nam ik de  pleisterplaatsen mee, en de wonderen op je weg. Geen bouwwerken, beelden en fresco’s, maar de wonderen van het geloof: wat krom is wordt recht, wat klein is wordt groot, wat steen is wordt brood.

De aanleiding tot een nieuw kerklied is zelden één gebeurtenis. Gebeurtenissen en ervaringen, stapelen zich op. En dan is er een moment dat erom vraagt: een viering, het werken aan een oratorium of zomaar een goed idee voor de inhoud. Van alles kan een aanleiding zijn tot een lied. Herman Verbeek schreef bij veel van zijn liederen een toelichting en niet zelden vertelt hij daarin iets over de aanleiding: een ontmoe1ng, een gesprek, een moment van ergernis over een (meestal politieke) actualiteit, een moment van ontroering in de tuin.

Thema en uitwerking

Maar daarmee is het lied er nog niet. Er moet ook zoiets zijn als een thema of een verhaal, een bepaalde gedachte die het patroon voor het lied gaat geven. Soms valt het je direct te binnen. Vaak is het ook een kwestie van zoeken en proberen: je combineert woorden, beelden, gedachten en al doende komt er een thema naar boven dat als rode draad in het lied gaat dienen. Leven is een lange reis / en al gaande word je wijs.
En dat thema moet dan verder ingevuld worden. In de klassieke retorica heet dat de amplificatie: de vermeerdering. Toegegeven: soms kan een kerngedachte op zichzelf al een kerklied zijn – een soort mantra, zoals bij de gezangen van Taizé. Maar eigenlijk is ook dan sprake van amplificatie: je zingt zo’n vers niet éénmaal, maar je herhaalt het een aantal keren.

Er zijn verschillende manieren waarop die amplificatie kan plaatsvinden. In het Reislied gebeurt het door de lange reis en het wijs worden te schetsen: vanaf de stem van ver gehoord via de pleisterplaatsen waar je welkom en geborgen bent, langs de wonderen op je weg tot ten slotte het thema opnieuw klinkt, nu als een bevrijdend inzicht dat je hebt gekregen. En al denkend over het refrein komt een tweede thema naar boven: de reis is bedoeld om elkaar tot levenszegen zo nabij als God te zijn.

Een ander amplificatiepatroon volgde ik in het Emmaüslied (Ga jij met ons vandaag op weg). De vier coupletten volgen de vier fasen in het  Emmaüsverhaal: op weg gaan, het woord delen, brood delen en terug gaan. Niet toevallig de kernmomenten van een liturgie van woord en tafel.

Een patroon dat ik graag toepas, is de opsomming – in de retorica bekend als de enumeratie. Ik houd ervan om een kerngedachte of een kernbegrip uit te werken in een reeks concrete ervaringen of beelden die aan het thema raken. Dat heb ik bijvoorbeeld gedaan in het Danklied met het tienmaal herhaalde Dank voor… Zo’n opsomming lijkt overigens niet ongebruikelijk in dankliederen. Overbekend is het lied Dank u voor deze nieuwe morgen  en – zeker in de Pepergasthuis geliefd – Dank voor de geuren van het gras van Herman Verbeek.

Ik houd van die opsommende structuur, omdat die de mogelijkheid biedt om een verscheidenheid aan beelden en ervaringen in het lied op te roepen. En dat lijkt me belangrijk voor een kerklied, dat immers gezongen wordt door mensen die onderling erg verschillen in ervaringen en emo1es. Bij een variatie aan beelden hoop ik dat ieder wel een beeld, een woord, een couplet vindt dat iets doet trillen. Tegelijk helpt de variatie tegen het verabsoluteren van één beeld, één omschrijving van het religieuze. Geen van de beelden is hét beeld, geen van de uitspraken in een lied is dé waarheid. Elk beeld is onvolledig, voorlopig en onbeholpen.

Binnen zo’n opsomming zit meestal nog een bepaalde opbouw. De dank in mijn Danklied begint met de dag van mijn geboorte en eindigt met de toekomst die mij wacht, totdat mijn tijd voorbij zal zijn. Bovendien zijn er coupletten die elkaar inhoudelijk sterk aanvullen. Bijvoorbeeld de dank voor wie zorgen voor elkaar en de dank voor het tedere gebaar – beide over de liefde tussen mensen: eerst de charitas (zorg), dan de amor (liefde). En de dank voor het woord die aangevuld, misschien zelfs overtroffen wordt met de dank voor het lied. Peter Rippen heeft die koppelingen doorzien en een melodie gecomponeerd waarin steeds twee dankzeggingen gecombineerd worden – al speelde daarbij ook een rol dat hij de gemeente niet tienmaal dezelfde melodie wilde laten zingen.

Taal en stijlfiguren

Al schrijvend en herschrijvend aan een lied zoek je natuurlijk steeds naar de beste woorden en beelden. Daarbij spelen veel eisen die je allemaal in de gaten moet houden. Je voelt je als een jongleur die een groot aantal ballen tegelijk in de lucht moet houden.

Belangrijk vind ik dat de taal eenvoudig is. Wie het lied zingt, krijgt vaak de tekst voor het eerst onder ogen. Dan moeten woordkeus en zinsbouw niet zo ingewikkeld zijn dat je de draad kwijtraakt.

Dat betekent niet dat een tekst oppervlakkig moet zijn. Integendeel: een liturgisch lied moet diepgang hebben; het gaat uiteindelijk over het diepste wat je bezig houdt. De woorden die je gebruikt, mogen ook te denken geven; niet alles hoeft direct duidelijk te zijn. Iemand vertelde mij dat zij pas na herhaaldelijk zingen ontdekte dat de zin om elkaar tot levenszegen / zo nabij als God te zijn niet alleen iets zegt over hoe mensen met elkaar op reis zijn, maar ook iets zegt over God – dat die ons nabij is.

Diepgang ontstaat ook door gedachtesprongen in de tekst. Dank voor het tedere gebaar, de kussen op de monden – daarmee probeerde ik de intimiteit op te roepen van twee geliefden die elkaar kussen. Om dan de sprong te maken tot iets dat een leven lang doorgaat: een ander die mijn leven deelt.

Diepte geven aan een tekst gebeurt vaak door middel van beeldspraak. Als we danken voor het licht van zon en maan, de flonkerende sterren, is dat geen dank voor astronomische verschijnselen. De hemellichamen staan voor de verwondering en de grootsheid van de lange gang van mijn bestaan. Sommige beelden kun je zelfs op velerlei manieren invullen, zoals de pleisterplaats in het Reislied. Het kan een thuis zijn, een kring van mensen waar je je thuis voelt, een plaats van rust en bezinning, een kerk of een liturgieviering.

En een laatste voorliefde: ik houd van zinspelingen en – al dan niet stiekeme – verwijzingen die aan de tekst een soort ‘dubbele bodem’ geven. Bijvoorbeeld de verwijzingen naar Bijbelplaatsen in het Reislied: wat krom is wordt weer recht, wat klein is wordt vergroot, wat steen is wordt tot brood. In een lied over Jezus citeerde ik: Is er dan geen timmerman die de sleutel maken kan? In mijn Kerstoratorium gebruikte ik bekende dichtregels van Henriëtte Roland Holst en Lucebert: Als weerloos is wat is van waarde […] hoe zullen dan de zachte krachten / nog overwinnen in het eind? Niet iedereen zal zo’n dubbele bodem meteen doorzien,maar dat hoeft ook niet; ook zonder die dubbele bodem is de tekst in te voelen, hoop ik.

Klank

Taal is niet alleen inhoud, ook de vorm vraagt om aandacht. De klank levert een wezenlijke bijdrage aan het geheel. Je moet oppassen voor woorden waar de zangers hun tong over breken (een mislukking uit mijn Kerstoratorium: het hoogste woord is leegpraat kraaien). De regels van strofeliederen horen ook te rijmen, hoewel ik me daar de laatste jaren steeds minder van aantrek: het kan best zonder. Je moet ook uitkijken dat je niet steeds dezelfde woorden op elkaar laat rijmen (leven/geven, velen/delen).

Soms lukt het om de klank in te zetten als versterking van de inhoud. Ik ben bijvoorbeeld nog steeds een beetje trots op de slotzin van het slotlied voor Kerstmis: een nieuw begin van leven, / een waar genadejaar. De drie a’s zorgen voor een stralend eind. En zo goed passend bij de muziek op het volle orgel, de pauken en trompetten die Chris van Bruggen erbij componeerde.

Muziek

Soms schrijf ik teksten op bestaande melodieën, maar de laatste twintig jaar wordt de muziek meestal pas gecomponeerd als de tekst af is. Dank, Chris van Bruggen, Anneke van der Heide en Peter Rippen! Het is altijd een verrassing als ik de melodie per e-mail krijg toegestuurd. Soms met een MP3, zodat ik er direct naar kan luisteren.

Soms zijn klank, melodie en ritme precies wat ik me had voorgesteld, maar vaak zijn ze anders, verrassend en soms geven ze mij zelfs een nieuwe kijk op mijn eigen tekst. Af en toe geeft dat ook aanleiding om nog iets te veranderen. Niet alleen om de tekst wat beter op de noten te plaatsen, maar vooral om de sfeer van tekst en muziek nog sterker op elkaar af te stemmen.

En dan: zingen

Eigenlijk is het schrijven van tekst en muziek alleen maar een aanloop tot het moment waar het werkelijk om gaat: het moment waarop het lied gezongen wordt door koor en gemeente in een werkelijke liturgie. Dan gaat het lied gebeuren en wordt het ervaren. Dan kan een lied iets doen. Als tekstdichter krijg ik over dat laatste vaak positieve reacties: het lied heeft me wat gedaan, ik was er blij mee, het zette me aan het denken. Wie een lied niet geslaagd vond, zal het minder gauw laten blijken, denk ik.
Soms, op een mooi moment, vertelt of mailt iemand mij iets over die persoonlijke ervaring. Zoals de vrouw die in de tijd van haar echtscheiding steun had gehad aan die regels uit mijn Reislied: Leven is een lange reis / en al gaande word je wijs. Of de gevangenispastor die me mailde dat mijn Toekomstlied vaak werd gezongen in de diensten in de gevangenis: Is onze toekomst vastgelopen / zien wij geen licht en redding meer… Hij schreef: “Er zitten hier nu eenmaal veel mannen met een vastgelopen toekomst, voor wie het zoeken en tasten en hard werken is om nog iets van hun leven te maken.”  Bij zulke reacties past alleen dankbaarheid.

Dank voor het lied dat vreugde schept,
dat verder draagt dan woorden,
dat mensen één maakt met elkaar.

Reageren is niet mogelijk.