Zegenende taal

Zegenende taal

Voor de Peperclip, het informatieblad van de Oecumenische Vieringen Groningen, schreef ik onderstaand artikel. Het verscheen in het jubileumnummer van oktober 2011, waarin verschillende auteurs van binnen en buiten de ‘Peper’ reflecteren op de toekomst van deze gemeente. Op verzoek van de redactie schreef ik ‘iets over liederen en geloof’.


Taalverruwing

Er is een algemeen gevoel dat onze taal aan het verruwen is. Misschien beter gezegd: dat onze manier van spreken harder aan het worden is. Op straat, in het uitgaansleven, op scholen. Zogenaamde praatprogramma’s op televisie worden steeds meer debatprogramma’s. De deelnemers lijken er vooral op uit te zijn om te winnen en de ander te verslaan. Vooral niet toegeven dat de ander misschien gelijk heeft, want dan toon je zwakte. Vooral niet toegeven dat je iets niet weet, want dan ben je ongeloofwaardig. Vooral bij je eigen mening blijven, want anders ben je een draaikont.

Ook op de sociale media op het internet zoals Facebook en Twitter lijkt het harde woord de norm te zijn. Scheldwoorden, harde oordelen en al dan niet gemeende doodsbedreigingen worden gewoon. Woorden die doodslaan: leugenaar, charlatan, islamitisch stemvee. Er is weinig neiging om ‘effe te dimmen’.

Natuurlijk: vrijheid van meningsuiting. Niemand mag verhinderd worden om te zeggen wat hij of zij belangrijk vindt. Tegenstellingen moeten niet verdoezeld worden. Een redelijke discussie begint met de vrijheid om je eigen standpunten (en twijfel aan de standpunten van anderen) naar voren te brengen. Maar een redelijke discussie vereist ook serieus proberen elkaar te begrijpen.

Naast de verruwing van de taal is de roep om respect te horen. Vaak betekent het zoiets als: laat de ander zijn gang gaan, bemoei je er niet mee. En vaak wordt het ook opgeëist: respecteer mij, probeer me niet te dwingen naar jouw normen en waarden. Jij jouw leven en ik het mijne. Maar respect is niet iets om op te eisen, het is iets om te geven – met als vrijheid.

In haar boek Compassie pleit Karen Armstrong voor een andere manier om met elkaar te praten. De regel ‘Behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden’ – beleden in alle religieuze tradities – nodigt uit om ruimte voor anderen te maken, aandachtig en meelevend naar anderen te luisteren. Niet door het debat, niet door de botsing van opvattingen komen we tot beter samenleven, maar door elkaar te willen begrijpen en door wederzijdse waardering, is de gedachte.

Waarderen is meer dan respect. Waarderen betekent niet alleen dat je een ander in zijn waarde laat, maar dat je een ander van waarde vindt. Wie dat kan laten doorklinken in zijn woorden, zegent een ander in de zin van het Latijnse woord benedicere: iets goed van iemand zeggen.

Zegenende taal hoeft niet te verhullen wat fout is. Wat niet goed is moet benoemd worden. Maar zegenende taal is uit op verzoening. Zij wijst het gedrag van een ander af, maar niet de ander zelf. Zij wijst het liegen af maar bestempelt de ander niet als een leugenaar. Zij wijst het misbruik af maar schrijft de ander niet af als een verkrachter. Zegenende taal zoekt naar een weg om ondanks alles toch verder te gaan. Zegenende taal is moeilijker dan duidelijke taal. Zij bedekt de waarheid niet. Maar er is een verschil tussen de waarheid zeggen en iemand eens flink de waarheid zeggen.

Liturgische taal

Geloofstaal is niet altijd en overal een zegenende taal geweest. Ook onder gelovigen en in kerken is het woord vaak hard geweest, en dat is nog steeds zo. Debatten over rechtzinnigheid in de leer zijn vaak genoeg uitgemond in scheldkanonnades om eigen gelijk en dat gebeurt nog steeds. Maar er is gelukkig ook een geloofstaal met compassie. Een zachtere taal die zoekt naar begrip, die ruimte laat voor onzekerheid en vragen, een taal die ruimte laat voor bescheidenheid en stilte. Een zegenende taal. Die taal vinden we het eerst en het meest duidelijk in de liturgie. De taal van het gebed, en vooral de taal van het lied.

Liturgische taal kent velerlei toonaarden. De poëtische taal van Herman Verbeek is een andere dan de taal van de paus, en orthodoxe predikanten uiten zich weer heel anders. De katholieke taal is anders dan de protestantse, zelfs wanneer gelovigen elkaar ontmoeten in een oecumenische gemeenschap. Traditionele christelijke geloofspraktijk vermengt zich met elementen uit andere godsdiensten en spirituele tradities. Er is een veelheid aan aanbod en initiatieven, en velen kiezen daaruit voor zichzelf wat zin heeft aan hun leven. Keuzen die trouwens zelden definitief zijn.

Wat is in al deze verscheidenheid een zegenende taal? Ik heb het gevoel dat liturgie in onze jaren vraagt om terughoudendheid, bescheidenheid, schroom. Wat daar de kenmerken van zijn? Ik doe een poging en ik ben zo onbescheiden om die te illustreren met fragmenten uit eigen pogingen om die taal te vinden.

Zegenende taal is wat mij betreft geen verkondigende taal, geen taal die zeker weten uitstraalt. Het is een taal van vragen en vermoedens, van verlangens en dromen, meer dan een taal van leerstelligheid en zekerheid. Zoals in de volgende woorden uit een lied over sterven (waarbij de laatste zin zowel een vraag als een gebed kan zijn):

Als alles stilte wordt
want alles is gezegd
mijn zwijgen is genoeg
ben jij mij dan nabij

Zegenende taal is een poëtische taal. Zij verwoordt dat geloof vooral te maken heeft met intuïtie en gevoel, meer dan met feiten, meningen en redeneren. En vooral met liefde.

Lieve trooster van verdriet
zing in ons een liefdeslied,
lieve schaduw in de zon.

Zegenende taal laat ruime voor meerduidigheid. Hetzelfde woord mag meerdere betekenislagen hebben. Er is ruimte voor beeldspraak, woordspelingen, wat mij betreft ook van humor. Een lied over het verhaal van Jezus begint een beetje cynisch (‘Voor een appel en een ei / gaat het leven ons voorbij’) en introduceert Jezus dan met een citaat uit een oud speelliedje:

Is er dan geen timmerman
die de sleutel maken kan?
Is er iemand lief als niemand
die de poort van ons verdriet
opent naar een nieuw verschiet?

Liturgische taal mag wortelen in schrift en traditie, maar die zijn geen dwingend uitgangspunt. Ik houd van de stijlfiguur van de allusie: de zinspeling die herinnert aan een Bijbelwoord of een begrip uit de traditie, maar die niet dwingend oplegt. De timmerman uit het liedje hierboven is zo’n allusie. Of het huis van brood in de volgende strofe, dat (voor de kenners) verwijst naar Bethlehem, waar geen plaats was in de herberg:

Brood van huis van brood
waar de vrede wordt geboren,
plaats genoeg voor alle mensen –
mogen wij dat wezen.

En ten slotte: liturgische taal legt zich niet vast op één welomschreven manier om God te noemen en aan te spreken. Mannelijk of vrouwelijk, streng of zachtmoedig, allerhoogste of nabije, God is altijd anders. De gemeenschap die samenkomt en zingt is een eenheid in verscheidenheid. Zoveel mensen er zijn, zoveel namen ze hebben voor God (als ze die al hebben).

Die wij noemen: vader moeder,
vuur en adem van ons leven,
lieve schaduw, zachte vrede,
altijd bezig in ons hart.

Zoiets dus. Zingend gaat het trouwens beter. Wat je niet kunt of durft te zeggen, kun je altijd nog zingen. Dank voor het zingen. Dank voor het lied dat vreugde schept, dat verder draagt dan woorden, dat mensen één maakt met elkaar.

Censuur

Er zijn er die denken (wensen, eisen, hopen, geloven, verwachten) dat de geloofstaal zich laat sturen. Misschien vanuit de gedachte dat eenheid van taal ook eenheid van geloofsbeleving zal brengen. In de Nederlandse Katholieke kerk ontstond in 2010 ophef toen twee bisschoppelijke censoren (menigeen was verrast die nog bestonden) een aantal liederen van Oosterhuis en andere tekstdichters in de ban deden: ze werden verboden voor het gebruik in de Eucharistieviering.

Diverse media, met name het dagblad Trouw, publiceerden een veelheid aan reacties, variërend van instemming tot verontwaardiging. De hoog opgelopen emoties leverden niet altijd ‘zegenende taal’ op. Het was opmerkelijk dat de argumenten voor en tegen het verbod zo uiteenliepen. Bij sommige stonden theologische argumenten voorop: zijn de gewraakte liederen wel recht in de (katholieke) leer? Anderen legden de nadruk op de literaire kwaliteiten: hoe fraai of lelijk is de beeldspraak in de liederen? Weer anderen stelden hun eigen beleving met de liederen centraal: die hoorden bij hun herinnering aan hun jeugd, ze waren gezongen op emotionele momenten in en rouwviering of tijdens een uitvaart. Uiteraard speelde ook het machtsargument. Wie zijn die censoren wel dat ze de kerkgangers in de kou zetten – en wie zijn die kerkgangers wel dat ze het kerkelijk gezag naast zich neerleggen?

De ophef in 2010 over de liederencensuur staat niet op zichzelf, ze bestaat ook in andere gemeenschappen dan de katholieke kerk. De hoog oplaaiende emoties laten zien hoezeer onze geloofsbeleving verweven is met de taal van het liturgische lied. Ook met de muziek trouwens, zoals de lezer van Maarten ’t Harts Psalmenoproer zich zal herinneren.

Anders dan de censoren denk ik dat de kerk gediend is bij een zegenende taal, ook in de discussie. Een taal die getuigt van waardering in de diepste zin: de erkenning dat de ander van waarde is voor jou. De verschillende toonaarden mogen voluit klinken. De traditionele en de vernieuwende, de kerktoonaarden en de meer wereldse toonaarden, de westerse en de exotische, zelfs nu en dan een dissonant.

We zouden er in zegenende woorden over moeten spreken: met een open blik zoeken naar wat van waarde is in het woord, in het lied, in elke geloofsuiting. En dat in alle bescheidenheid. Mocht het zijn zoals het slot van mijn (verboden) Nieuw Marialied het verwoordt:

Ach mochten wij geloven
dat geestkracht, groot en klein
de mensen uittilt boven
de tobbers die wij zijn.


Noot: de thematiek van de ‘zegenende taal’  heb ik in 2015 uitgewerkt in de Pinkstercantate Een taal van liefde (gepubliceerd in 2016).

Reageren is niet mogelijk.