Zingen als beeld van God

Zingen als beeld van God

Fragmenten uit overwegingen in de Pepergasthuiskerk in Groningen (15 oktober 2017) en de Ontmoetingskerk in Glimmen (18 maart 2018). Niet van een theoloog, maar van een lieddichter. Theologen hebben overigens ook geen verstand van God.


Tijdens een fietsritje langs de rivier de Creuse in Midden-Frankrijk kwam ik in het dorpje Le Menoux, en ik liep even het kerkje binnen, waarvan de deur open stond. Daar werd ik verrast door overweldigende fresco’s. Muren en gewelven waren beschilderd met een veelkleurig abstract patroon van cirkels, spiralen en andere vormen in vele kleuren. Ze bleken geschilderd door de Boliviaanse kunstenaar Jorge Carrasco, die daar acht jaar over had gedaan. Een korte toelichting die achter in de kerk op een prikbord hing, vertelde (ook in het Nederlands): Carrasco heeft een kosmisch godsbeeld en hij zet hier al zijn creativiteit in om uiting te geven aan zijn besef dat God niets meer of minder is dan het leven zelf. Mijn fietsritje duurde drie kwartier langer dan gepland.

Vijf kilometer verderop, in het plaatsje Gargilesse, staat een Romaans kerkje uit de 12e eeuw, waarvan de crypte ook helemaal voorzien is van fresco’s. Hier zien we traditionele Bijbelse verhalen, maar ook een kleine stoet van heiligen en natuurlijk het laatste oordeel. God zelf komt er ook in voor, vrij onopvallend. Uitgebeeld als een zegenende hand, die overigens ook wel van Christus kan zijn, dat maakt voor de middeleeuwer geen verschil. Wie Jezus, ziet de Vader, wisten zij van Johannes. Een heel ander godsbeeld dan de kosmos van Carrasco – maar zeker niet minder stemmend tot nadenken.

Nog een derde ervaring. Ik had het voorrecht om deel uit te maken van de projectgroep die de oecumenische liedbundel Zangen van zoeken en zien samenstelde. Een grote verscheidenheid aan liederen passeerde daar de revue, zowel qua muziek als qua teksten. In vaak diepgaande gesprekken probeerden we na te gaan welke liederen in de bundel zouden passen en welke misschien toch niet.
Als je het resultaat bekijkt, word je geraakt door de enorme variëteit in de woorden en beelden waarin God bezongen wordt. God die ons kent vanaf de moederschoot, God ondenkbaar boven alle machten in de wereld, God die ons bewaart in de palm van zijn hand, God die ons thuisbrengt uit onze ballingschap, God als een onzichtbaar gegeven, God die woont in heiligheid, God die zwijgt in alle talen, verborgen God, Heer van alle dingen, nabije God, om mensen bewogen. En dan nog de talloze namen en symbolen waarmee hij al dan niet met een hoofdletter wordt aangeduid: licht, adem, vuur, liefde, naam, bron, koning, vader, moeder. En veel liederen waarin God niet eens genoemd wordt, of hooguit in een bijzinnetje. Liederen over mensen, over het leven van de mensen, over het samenleven van de mensen. Liederen over de aarde, de schepping, over rechtvaardigheid en vrede. Liederen over de tijd die verstrijkt, over hoop en liefde.

De tijd is voorbij – in elk geval voor mij – dat van bovenaf of van buitenaf gedicteerd werd welke namen en beelden voor God correct zijn en welke niet. De harde zekerheden hebben langzaam plaats gemaakt voor een vrijheid waar ook vragen en twijfels kunnen bestaan, waar ruimte wordt gegeven, waar verscheidenheid, en openheid welkom is. Er zijn veel kamers, elk met een eigen inrichting.

Uit onderzoeken van de laatste jaren blijkt dat veel mensen zich niet meer thuis voelen bij Godsbeelden die ons door de Bijbel, de traditie en het kerkelijk gezag worden aangereikt. Het is niet meer vanzelfsprekend om de Vader te zien, zelfs niet in Jezus.
Maar een besef van het hogere, het diepere, het heilige in het leven is daarmee niet verdwenen. Als daarbij de naam God valt, is het niet altijd de god van Abraham of Jezus. Het gaat dan bijvoorbeeld over zoiets als bezieling, inspiratie, een innerlijke kracht. God is binnen jezelf en binnen deze wereld en niet daarbuiten. Hij (en zij) is de bespeuren in de wonderen die ons overkomen: de wonderen van geboorte en dood, het wonder van de liefde.

Het is in de geschiedenis van de kerk altijd moeilijk geweest om met verscheidenheid in godsbeelden en geloofsbeleving om te gaan. Die geschiedenis is er een van heftige debatten, onenigheid, verkettering, scheuringen – tot geweld, oorlog en terrorisme aan toe. Meer verdeeld dan samen. Weinig ruimte, onderling respect, waardering. Het eigen gelijk was meestal belangrijker dan de waarde ontdekken van het geloof van de ander. En dat lijkt af en toe nog steeds zo.

Het Latijnse woord voor geloven is credere, en dat komt van cor dare = ‘je hart geven’. Wat of in wie je gelooft, dat is datgene of diegene aan wie je je hart geeft. Je geeft je hart aan je geliefde, aan je kinderen, aan je werk, aan de omgeving waar je woont, aan de natuur, aan poëzie, aan wetenschap, aan muziek, ja misschien zelfs aan de hele kosmos. Mijn hart te geven aan leven. En waar je je hart aan geeft, dan is voor iedereen verschillend. En waar jouw hart is, daar is ook jouw godsbesef, jouw beeld van God. Waar een verscheidenheid van mensen is, daar is een verscheidenheid aan godsbeelden.

Een paar jaar geleden verscheen een inspirerend boekje van theoloog en GroenLinks-senator Ruard Ganzevoort, met de titel Spelen met heilig vuur. Hij betoogt daarin dat theologen – en ook gewone gelovigen, zou ik willen zeggen – dat die maar eens moeten ophouden om anderen te vertellen wat ze wel of niet moeten geloven. Over God kun je in wezen niets zeggen. Wel kun je proberen om je ogen te openen voor het geloof van mensen, hun bronnen, hun tradities, hun levenspraktijken. Luister naar mensen en vraag je af waar hun hart ligt. Niet vanuit de gedachte dat je ze moet overtuigen van jouw traditie en godsbesef, maar in het besef dat er wijsheid en inspiratie te vinden is in al die verschillende tradities in hun omgang met het heilige.

Misschien moeten we minder met elkaar discussiëren over geloof en godsbeelden, maar meer erover zingen. “Laat theologie poëzie zijn,” schreef Erik Jan Tillema (in 2017) op de website van de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten. We hoeven niet te vertellen wie God is, wat hij doet, hoe de zonde op aarde is gekomen of hoe Jezus zoon van God is. Dat soort vragen is ten diepste niet te beantwoorden.

In poëzie kun je zoeken naar mooie woorden en beelden om datgene op te roepen wat niet onder woorden te brengen is. “De een zegt dat God een opperwezen is, de ander dat God een geheime kracht in de wereld is. Anderen spreken over een gemoedstoestand, een inspiratiebron, een dragende kracht of stellen dat God gelijk is aan wat wij creativiteit noemen. Het zijn mooie poëtische gedachten,” schrijft Tillema. Geen stellingen in een wetenschappelijk debat, geen vaste leer van zekerheden, maar wijsheid en poëzie.

Poëtische taal is zachter, ruimer dan de taal van wetenschap, politiek of bestuur. Met een gedicht verkoop je niets, win je geen verkiezingen, hooguit mensenharten. Poëzie spreekt met schroom, poëzie gaat, zoals in het verhaal van Mozes bij de doornstruik, over vuur en heilige grond, en over iemand die hoort en zien en afdaalt en bevrijdt.

Nog meer dan poëzie is het lied dat we zingen. Al zingend stijgen onze woorden nog boven onszelf uit. De woorden worden lijfelijk, ze vragen om toon, duur en adem. Wat je niet zou willen of durven zeggen, kun je altijd nog zingen. Zeker als je het samen doet. Al die verschillende stemmen worden verenigd in één lied. Je neemt elkaar mee en je geeft elkaar houvast, al was het alleen maar om de juiste melodie en het juiste tempo vast te houden.

Mijn Lied van het lied is in zeker zin een geloofsbelijdenis. Van God, van mijn geloof ben ik eigenlijk niet zo zeker. Maar er komt wel een lied in mij naar boven komt, ook als ik me verlaten voel, ook als ik me zorgen maak dat mensen niet te verzoenen zijn, ook als ik ooit uit de tijd zal gaan. Mijn godsbeeld is vooral een lied dat samen gezongen wordt. Een lied over leven, dat vreugde brengt, dat gedeeld wordt met velen, een lied waarin ik mijzelf herken.
Als je het beluistert – of veel liever nog: samen staande zingt, kun je misschien proberen om telkens als het woord lied klinkt, te denken dat dat een beeld van God is – en dat het zingen geloven is.

Een lied en een zingende gemeente als beeld van God. Daar wil ik mijn hart graag aan geven.

Reageren is niet mogelijk.