Liefde heeft een lichaam

Liefde heeft een lichaam

Ook in kerkliederen? In maart 2010 kreeg ik een brief van Herman Verbeek waarin hij deze spreuk aanhaalde en tegelijk schreef dat “we naar een nieuwe geloofstaal aan het groeien zijn”. Is de lichamelijke liefde deel van die nieuwe geloofstaal? Van het nieuwe kerklied? Een eerste verkenning.

Liefde

Niets is zo bezongen als de liefde, in de kerk en daarbuiten. In de liefde ervaren wij het heilige, en het heilige nodigt ons uit tot liefde: onvoorwaardelijke toewijding en overgave aan een ander of iets anders. Liefde voor mensen, voor dieren, voor de natuur, voor kunst. Het gevoel dat je niet zonder kunt, het gevoel van afhankelijkheid. Maar ook: je toevertrouwen.

Als we zingen over liefde, is lang niet altijd duidelijk over wat voor soort liefde we het eigenlijk hebben. Wikipedia – de Nederlandse versie – somt veertien soorten liefde op, van de liefde voor mensen in het algemeen tot de liefde voor het vaderland. In zijn boek De Vier Liefdes onderscheidt de schrijver C.S. Lewis vier soorten liefde: genegenheid, vriendschap, erotiek, en liefdadigheid. Van deze vier lijkt de christelijke traditie de meeste moeite te hebben met de erotiek.

Niet alleen de theologie en de geloofstraditie, ook de samenleving worstelt ermee. Genot tegenover misbruik, vrijheid tegenover preutsheid, Seks te koop en seks om te verkopen (‘sex sells’). De enorme variatie in seksuele geaardheid en in liefdesrelaties tussen mensen, tijdelijk of voor het leven, vrij of gebonden, officieel bezegeld of niet.

In 2015 publiceerde de theoloog Frank Bosman een boekje met de uitdagende titel God houdt van seks. Kleine theologie van de erotiek. Hoewel hij het niet in deze woorden omschrijft, gaat het in die theologie om de manier waarop je in de beleving van erotiek het ‘heilige’, het Goddelijke kunt ervaren. Hij wijst met name naar drie aspecten: die ik hier vrij en (te) kort weergeef.

  • Lichamelijke liefde als totale zelfgave – in (goede) seks geef je jezelf, in je naaktheid, met alle hartstocht en overgave aan de ander. Je verlost je geliefde van van angst, zelfkritiek en onzekerheid.
  • Lichamelijke liefde als viering van het leven – met (goede) seks vieren we dat we goed zijn zoals we zijn, dat we de moeite waard zijn voor een ander, ook met onze gebreken. Dat houdt ook ook de mogelijkheid (niet de noodzakelijkheid) in om het leven door te geven.
  • Lichamelijke liefde als hemels genieten – we genieten niet van seks omdat het ergens voor nodig is, maar omwille van de seks zelf. In de woorden van Bosman: Het is een gave van de ene mens aan de andere die nergens anders voor gebruikt kan worden dan voor het seksuele genieten zelf (en als ze wel voor iets anders gebruikt wordt, is er sprake van seksueel misbruik).

Erotiek als godsbeleving

Dat de liefde een (dé) bron, zelfs een voorwaarde is van godsbeleving, klinkt in velerlei liederen door. “God is liefde” (Johannes 4:8) is niet aan dovemansoren gezegd. In de liefde laat God zich kennen en God nodigt uit (of gebiedt) lief te hebben.

Liefde luidt de Naam der namen
waarmee Gij U kennen laat.
Liefde vraagt om ja en amen,
ziel en zinnen metterdaad.

Zo dicht Sytze de Vries in zijn geliefde lied Liefde, eenmaal uitgesproken. Wat voor soort liefde hier aan de orde is, blijft in het midden. Elementen als zichzelf geven en het leven vieren komen aan de orde, maar zonder verwijzing naar het lichaam. Iets vergelijkbaars vinden we in een gezang als Waar vriendschap is en liefde, daar is God (het aloude Ubi caritas)

In andere liederen met dezelfde strekking komen wel woorden of beelden voor met een erotische connotatie, zoals verlangen in Zoekend ga ik mijn weg, / één en al verlangen naar Jou van Simone Huisman. Slechts af en toe vinden we beelden die expliciet verwijzen naar het lichamelijke zoals: om lippen water dorst te zijn / gaat iemand tot een ander in Huub Oosterhuis’ lied Uit vuur en ijzer , of Raak jij mij aan dan kom ik tot leven, / raak ik jou aan, dan word ik licht uit mijn eigen lied Toen ik nog ziek was.

Een erotische lading heeft het lied Kom in mij van Huub Oosterhuis. Het ervaren van, de ontmoeting met God wordt verwoord als de (vrouwelijke) seksuele ervaring die ontwapent, doorgloeit, ontdooit, het harde in ons zacht maakt. En het geeft nieuw leven, zoals de geboorte van een kind.

Ook in het volgende lied van Herman Verbeek wordt het lichamelijke verwoord als iets dat kan leiden tot besef van het heilige – van God. De tekstdichter schuwt niet om woorden en symbolen te gebruiken die een erotische lading hebben: aanhalen, warme heupen, gloeiende lippen.

Haal mij toch aan,
dat ik in u val,
dat mijn heupen warm worden,
dat mijn lippen gaan gloeien,
haal mij toch aan.

Kom over mij,
daal dan op mij neer,
overrompel mijn verweer,
kus mij in mijn ellende,
kom over mij.
[…]

Liefde tussen mensen

Als er in kerkliederen sprake is van liefde tussen mensen, dan lijkt het meestal te gaan om – in termen van Lewis – genegenheid, vriendschap, en liefdadigheid. Erotiek, het lichamelijke wordt meestal genegeerd of verhuld. In het lied God die in het begin van Huub Oosterhuis, bedoeld voor een huwelijksliturgie, wordt er slechts indirect en zijdelings naar verwezen: Hij doet u samen zijn / één lichaam en een geest.

Directer is de taal van het lied Behoed de liefde van dezelfde tekstdichter. De toon daarvan is eerder weemoedig en bezorgd, dan vreugdevol: Gij die weet hoe brood en bijna niets twee mensen zijn / dat liefde lijden is / dat zij de nacht doorkomen met elkaar.

In sommige liederen klinkt zelfs duidelijk reserve door naar de lichamelijke liefde zoals in de volgende tekst van Chris Fictoor:

Vind je liefde op je weg
ken de hartstocht van haar zangen.
Maar tel niets tot je bezit
zet het leven niet gevangen.

Een van de mooiste liedjes van over de liefde is Om liefde gaan wij een leven van Huub Oosterhuis). De tekst ademt de sfeer van erotiek, al is het taalgebruik weinig expliciet. Het bevat mooie suggestieve zinnen als:

Om liefde gaan wij een leven,
graven diep in de nacht,
kruipen onder de hemel […]

In liederen die niet (alleen) liefde en huwelijk als thema hebben, vinden we af en toe fragmenten waarin de de lichamelijke liefde wordt aangeduid. Bijvoorbeeld in mijn Danklied:

Dank voor het tedere gebaar
de kussen op de monden,
een ander die mijn leven deelt.

Het hooglied

Als het om de lichamelijke liefde gaat, is het Hooglied natuurlijk de aangewezen Bijbelse inspiratiebron. In Een liedje van liefde gebruikt Jacqueline Roelofs-van der Linden de beeldtaal uit het hooglied om de liefde te bezingen – en daarmee geeft zij volop ruimte aan het lichamelijke: Liefste, jouw kussen zijn zoeter dan wijn […]. In het derde couplet brengt ze die in verband met God: God zelf ontstak en is die gloed. Het lied eindigt met drie regels waarin de erotische liefde verruimd wordt:

Jij die er zijn zult ieder uur
dat twee of velen brood samen delen
laat in ons branden liefdes vuur.

Zelf schreef ik het Lied van de tuin waarin geuren en smaak – met namen van kruiden – worden bezongen als de manier waarop ik-en-jij in elkaars wezen dringen en elkaar nabij zijn.

Jij, als geuren hang jij om mij heen,
peterselie en rozemarijn,
liefde ruik ik, tuin vol met rozen,
zo wil ik, wil jij bij mij zijn.

Zo onzichtbaar als geuren ook zijn,
onontkoombaar zijn zij tegelijk –
vind mij, proef mij, dring in mijn wezen,
maak mij als een mens jou gelijk.
[…]

Bij elkaar willen zijn, dat staat in dit liedje centraal. Ik wil bij jou zijn, wil jij bij mij zijn? Niets is zo intiem, zo bij elkaar als elkaar ruiken en proeven. Wat er dan gebeurt kun je niet beschrijven, niet beredeneren. Geuren zijn onzichtbaar, maar je ontkomt er niet aan. Wie de ander proeft, dringt in zijn of haar wezen.

De jij in het lied wordt – zoals vaker in mijn liederen – niet benoemd; ook niet of de jij (of de ik) een man of een vrouw is. Het is degene die geur en smaak aan mijn leven geeft, die me warm maakt, die me draagt (letterlijk of figuurlijk) en die me tot leven brengt. Het is mijn geliefde – of misschien God, de Nabije. Dat is aan de zanger.

Al met al heb ik niet het gevoel dat het lichamelijke van de liefde in kerkliederen vaak benoemd wordt. Het lijkt (nog) niet tot onze nieuwe geloofstaal te behoren.  Dat er niet direct naar seks verwezen wordt, is te begrijpen, dat zou de teksten al gauw plat maken. Maar wat minder ‘vergeestelijking’ van de liefde zou misschien bijdragen tot een repertoire van kerkliederen waarin we onze eigen ervaringen, emoties en verlangens beter kunt herkennen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *