Jij zingen tegen God?

Jij zingen tegen God?

God spreek je aan met Gij en U – dat was ooit vanzelfsprekend. Maar in de laatste decennia van de vorige eeuw begonnen hier en daar mensen God aan te spreken met Jij (al dan niet met een hoofdletter). Ook tekstdichters van kerkliederen begonnen daarmee. Huub Oosterhuis bijvoorbeeld, en Kees Waaijman. Ikzelf deed het al vanaf ongeveer 1970. Dat stuit bij kerkgangers en kerkzangers nogal eens op ongemak, wrevel of tegenstand. Zij vinden het geforceerd en oneerbiedig.

Een vleugje taalhistorie

In de talen van de Bijbel, Hebreeuws, Aramees en Grieks, bestond voor de aanspreking geen aparte beleefdheidsvorm. Ook in de Europese talen bestond die niet: men kende in het Middelnederlands alleen de vorm du. De vorm ghi was bestemd voor het meervoud (jullie).

Pas in de late Middeleeuwen ging men in het Nederlands de meervoudsvorm ook gebruiken als beleefdheidsvorm tegenover één persoon. Net als in het Frans, waar met meervoud vous de beleefdheidsvorm werd terwijl tu de familiaire vorm bleef. Daarmee ontstond dus het verschil tussen tutoyeren en vousvoyeren. De vorm du verdween in het Nederlands geleidelijk om plaats te maken voor jij. Misschien als een soort tussenvorm van du en gij.

Voor de aanspreking van God bleef echter nog lange tijd de vorm du gebruikelijk. Bijvoorbeeld in de psalmvertaling van Marnix van Sint-Aldegonde uit 1580. Toch werd het rond die tijd al betwist, waardoor hij zich bij de tweede druk in 1591 verplicht voelde zijn keuze voor du te verantwoorden. Hij vindt het gebruik van de meervoudsvorm ghi onjuist omdat het een aantasting van Gods ’heylige eenicheyt’ zou betekenen. Bovendien, zo betoogt hij, laat God zich niet beïnvloeden door het gebruik van een menselijke beleefdheidsvorm en andere pluimstrijkerij.

Met het gebruik van Gij in de Statenbijbel (1635) werd vousvoyeren de normale beleefdheidsvorm, zowel bij het aanspreken van God als bij het aanspreken van anderen. In de omgangstaal maakt Gij in de negentiende eeuw geleidelijk plaats voor U, wat oorspronkelijk de verbogen vorm van Gij was. Maar in godsdienstige taal bleef Gij nog lange tijd bewaard. Pas aan het eind van de twintigste eeuw begon U ook daar door te dringen, bijvoorbeeld in de nieuwe Willlibrordvertaling van 1995 en de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004.

Inmiddels was er een nieuwe verandering aan de gang in het gebruik van u en jij. Vanouds was de keus een kwestie van hiërarchie: tegen iemand die boven je stond gebruikte je u, en tegenover iemand die onder je stond gebruikte je jij. De baas werd met meneer (toen nog zelden mevrouw) en u aangesproken, de ondergeschikte met alleen de (achter-)naam en met jij. “De Vries, regel jij dit even!”— “Ja meneer, u kunt op mij rekenen”. Ook (groot-)ouders en leraren werden keurig met u aangesproken.

Rond 1970 werd langzamerhand niet zozeer de hiërarchie bepalend, maar eerder de afstand (distantie) tussen mensen. Mensen die dichtbij je stonden, sprak je aan met jij (en met hun voornaam), mensen die verder van je afstonden, sprak je aan met u. Kinderen gingen steeds vaker hun ouders en leerkrachten tutoyeren. Het was een mooi moment toen mijn docent mij als student-assistent voorstelde hem voortaan maar met Wim en jij aan te spreken – het bezegelde dat ik ‘een van de groep’ was geworden.

In het verlengde daarvan is het gebruik van jij (en voornamen) ook steeds meer een teken van hartelijkheid, vriendschap, terwijl u (en meneer/mevrouw) eerder neutraliteit en afstand uitdrukt. Illustratief daarvoor: parlementaire journalisten gebruiken in hun gesprek met politici achter de schemeren vaak jij, maar eenmaal op televisie zeggen ze meestal u. Of ze leggen de kijkers uit waarom ze jij zeggen.

Vanaf diezelfde periode zien we in gebedsteksten en kerkliederen dat God niet alleen aangesproken wordt met Gij en U maar ook met Jij. Die laatste vorm lijkt dan aan te duiden dat God vertrouwd is, nabij.

Een complicatie bij dit alles is overigens dat gij in Zuid-Nederland en Vlaanderen óók geldt als een nabijheidsvorm; daar kan die traditionele beleefdheidsvorm dus naadloos bewaard blijven met een veranderende gevoelswaarde.

Boosheid

Een van de kenmerken van veel nieuwe kerkliederen is dat ze ruimte geven aan twijfel, onzekerheid, ongeloof zelfs. Er zijn liederen waarin het zoeken naar God gethematiseerd wordt. De bundel Zangen van zoeken en zien (2015) heeft een hele afdeling met Zangen van twijfel, vermoeden en geloof met het motto Waar kan ik U vinden. Het eerste lied (themalied) van die afdeling is van de hand van Henk Jongerius. In dit lied wordt God aangesproken met Gij/U. Goed te plaatsen in het boven beschreven kader, immers: als God ver weg is, is er sprake van distantie.

Hoe is uw naam, waar kan ik u vinden?
Spreekt Gij mij aan wanneer verblinden
uitzicht ontvangen, uw wegen gaan?

De distantie klinkt ook in liederen als Niemand kent uw wegen van Chris Fictoor en Geen taal bij machte u te meten van René van Loenen. Maar in dezelfde afdeling vinden we ook gezangen als Wie Jou mag kennen (Marijke de Bruijne) en Zoekend ga ik op weg (Simone Huisman). Teksten die het gemis van God en het zoeken verwoorden op een haast intieme manier: het is zoeken naar nabijheid, zoeken naar een jij.

Heel anders klinkt het zoeken naar God in het volgende lied van Huub Oosterhuis :

Die zegt god te zijn
laat hij te voorschijn komen.
wat hebben wij aan een naam alleen
laat hij opstaan, dat wij hem zien.
[…]
Jij die zegt onze god te zijn
verborgen verblindend onmogelijk jij
wat houdt je af van de mensen –
[…]

Bij de boze, haast verwijtende toon van deze tekst – versterkt door de heftige muziek van Bernard Huijbers of Antoine Oomen, past het gebruik van jij. Het suggereert dat de zangers in hun boosheid geen eerbied, geen respect hebben voor God. Een vergelijkbare toon is te vinden in mijn tekst van het lied Noem ons je naam, waarin het zoeken naar God als een gevecht wordt geschilderd (naar het verhaal over het gevecht van Jacob met de engel):

Laat ons dan maar vechten,
jouw naam maar tegenstaan,
en als jij ons niet antwoordt
jou nimmer laten gaan.

Nabijheid

Het zoeken naar God wordt niet altijd op een afstandelijke of boze toon verwoord. In een aantal kerkliederen wordt juist gezocht naar de nabijheid van God, de intimiteit, het verlangen. Het gebruik van jij is daarbij haast vanzelfsprekend. Huub Oosterhuis:

Jou gezocht bij dag.
Dacht: in licht woon jij.
Breek de duisternis.
Keer je hart tot mij.

Hein Stufkens:

Waar ter wereld vind ik jou
als jij niet maar mij zoeken zou
ver op reis of dicht bij huis.

Nabijheid is in veel van mijn eigen liederen haast synoniem met het heilige, het onzegbare. Dat heilige is voor mij sterk verbonden met de intuïtie dat mensen niet alleen zijn, dat zij gekend zijn, gehoord en gezien worden. In de eerste plaats door elkaar. Je wordt mens doordat andere mensen je nabij zijn. Maar ook door ‘iemand’ (zal ik dan maar zeggen) die die anderen overstijgt. Nabijheid is wat mij betreft een (abstracte) metafoor voor het heilige, voor God.
Ik las dat in de woorden waarmee God zich in het boek Exodus bekend maakt aan Mozes: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord; Ik ken hun lijden. Ik ben afgedaald om hen te bevrijden […]” (Ex. 4, 7-8 in de Willibrordvertaling, inclusief de foutieve verwijswoorden hun en hen). Ik heb die woorden – losgemaakt van de context – als volgt verwoord in een antifoon die treffend op muziek gezet is door Chris van Bruggen:

Ik, zegt God, ik ben nabij,
ik heb de ellende
van mijn mensen gezien,
ik heb hun huilen gehoord,
ik weet wat ze doorstaan.
Ik daal af om te bevrijden,
ik breng ze op een uitweg.
Ik, zegt God, ik ben nabij.

Tegen deze achtergrond gebruik ik in mijn liedteksten vaak de naam Nabije voor God. En in lijn daarmee gebruik ik dan ook ook (meestal) het voornaamwoord jij.

Zingen gaat beter

Dat alles neemt niet weg dat nog steeds veel mensen het moeilijk vinden om God met jij of jou aan te spreken. Mijn ervaring is dat het zingend vaak minder weerstand oproept dan in een gesprek. Wat je niet durft te zeggen, durf je vaak wel te zingen. En al doende wen je eraan.

Noot

Het vleugje taalhistorie is onder meer gebaseerd op de afstudeerscriptie van Lobke Timmermans: “God is ú!” A historical and socio-linguistic analysis of the pronouns of address for God in Dutch (Universiteit van Amsterdam, 2008) en op het artikel van M.C. van den Toorn (1977): De problematiek van de Nederlandse aanspreekvormen. (De nieuwe Taalgids 70, 520-540). In 2017 schreef Fimke Duursma nog een aardige blog over u en jij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *